ALGEMENE INSTALLATIE en
GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN
VOOR HYDRAULISCHE SYSTEMEN

WAARSCHUWING

Deze gebruiksvoorschriften zijn een handleiding voor het correct opbouwen, onderhouden en veilig gebruiken van hydraulische systemen. De gebruiker is geheel verantwoordelijk voor de (onveilige) keuze, het (onveilig) gebruik en de (onveilige) toepassing van de hydraulische systemen. De gebruiker moet er van verzekerd zijn, dat de met de opbouw en onderhoud belaste personen de algemene gebruiksvoorschriften hebben gelezen en begrepen, en in staat zijn de systemen veilig op te bouwen en te onderhouden. Indien de Nederlandse en de Engelse tekst van de algemene gebruiksvoorschriften niet overeenstemmen, prevaleert de Nederlandse tekst.

1. Verbindingen, aansluitingen en plaatsing

Alle verbindingen zoals bouten, slangen, koppelingen, elektrische aansluitingen e.d. dienen periodiek, tevens na elk transport en test, geïnspecteerd en zo nodig nagesteld te worden. Het systeem dient op een stabiele ondergrond geplaatst te worden en zonodig verankerd te worden. Het systeem dient door gekwalificeerde technici geïnstalleerd, aangesloten en/of in bedrijf gesteld te worden, indien niet uitdrukkelijk anders vermeld. Dit systeem is bedoeld om onderdeel te (gaan) vormen van een totale machine en als zodanig dienen veiligheidskwesties aangaande dit systeem beoordeeld en gewaarborgd te worden door de ontwerper/constructeur van de totale machine.

2. Elektrische aansluitingen

Elektrische komponenten dienen door een hiertoe bevoegd persoon en volgens de hiervoor geldende voorschriften en aangesloten te worden. Voor informatie en eventuele aansluitschema’s zie documentatie en/of gegevens per komponent.

3. Hydraulische aansluitingen

De op het pompset aan te sluiten slangen, leidingen, ventielen, cilinders en hydraulische motoren etc. dienen schoon te zijn alvorens ze worden aangesloten. Slangen en leidingen eventueel reinigen en/of spoelen. Afstopmateriaal niet eerder verwijderen dan noodzakelijk. Voor informatie en eventuele aansluitschema’s zie documentatie en/of gegevens per komponent.

4. Hydraulische olie

De olie dient regelmatig te worden gekontroleerd op vuil, water en/of oxydatie, afhankelijk van omgeving, gebruik en temperatuurwisselingen minimaal éénmaal per jaar. Bij abnormaal olieverbruik dient de oorzaak van het olieverlies opgezocht en onmiddellijk hersteld te worden. Aftappen uitsluitend via het aftapgat onderin het reservoir.

 

Plaats een opvangbak, draai daarna de plug los, en open, indien aanwezig, de aftapkraan. Reinig eventueel de magneet. Kontroleer de olie. Indien de olie grote hoeveelheden metaal bevat kan dat duiden op slijtage en/of schade aan klep(pen) en/of pomp(en) en/of andere komponenten. Monteer na het aftappen de plug en sluit de aftapkraan (zie hierna (BIJ)VULLEN en OPSTARTEN). NB: tap de olie alleen af wanneer alle cilinders in de terugetrokken positie staan en de druk van alle akkumulatoren in het systeem is verlaagd tot nul (gebruik de daarvoor bestemde afsluiters).

5. (Bij)vullen van het reservoir

Het reservoir moet gevuld worden tot het maximale nivo (zie peilglas) met een hydraulische olie die voldoet aan de door de fabrikant gestelde eisen. Vullen uitsluitend via de daartoe bestemde vuldop welke voorzien moet zijn van eenfilter/vulzeef. Reinig het filter/de vulzeef eventueel na het vullen. NB: vul het reservoir alleen wanneer alle cilinders in de terugetrokken positie staan en de druk van alle akkumulatoren in het systeem is verlaagd tot nul (gebruik de daarvoor bestemde afsluiters).

6. Filters

Filters dienen regelmatig gekontroleerd te worden op vervuiling (zie indikator tijdens bedrijf, indien aanwezig). Meestal volstaat twee maal per jaar, maar indien het systeem in een vuile of stoffige omgeving staat of zeer frequent gebruikt wordt zal vaker gekontroleerd moeten worden. Vervang het filterelement indien nodig (zie het typenummer op het deksel van het filterhuis). NB: bij demontage van het filter/vervangen van het filterelement de pomp stopzetten.

7. Opstarten

De motor éénmaal kortstondig inschakelen om de draairichting te kontroleren (zie aanduiding op de motor) en indien nodig aanpassen. Pompset daarna opstarten en enkele minuten drukloos laten rondpompen. Als de maximale druk afgesteld is (zie DRUKAFSTELLING) de gehele installatie (onbelast) enkele malen bedienen en ontluchten (via de daarvoor bestemde plaatsen). Kontroleer hierbij het olienivo in het reservoir en vul eventueel bij. NB: vul het reservoir alleen wanneer alle cilinders in de terugetrokken positie staan en de druk van alle akkumulatoren in het systeem is verlaagd tot nul (gebruik de daarvoor bestemde afsluiters).

8. Akkumulatoren

Eénmaal per jaar dient de stikstofdruk van de akkumulatoren gekontroleerd en eventueel bijgevuld te worden. NB: bij onderhoud, reparatie en/of kontrole van het olienivo moet van alle akkumulatoren de hydraulische druk afgelaten worden door de daarvoor bestemde afsluiter te openen.

9. Drukafstelling

De maximale drukbeveiliging is volgens opgave afgesteld. Eventuele wijzigingen dienen alleen in overleg met de fabrikant gedaan te worden.

10. Snelheidsregelingen

Smoringen, volumeregelaars e.d. moeten (indien niet anders vermeld) tijdens het in bedrijfstellen worden afgesteld.

11.Storingen

Hydraulische systemen zijn, mits gebouwd volgens de algemene normen, praktisch storingvrij. Ondanks dit kunnen toch storingen voorkomen en het is noodzakelijk, dat de oorzaak van deze storingen zo snel mogelijk wordt gevonden en verholpen. De oorzaak opzoeken kost aanmerkelijk minder tijd indien er een hydraulisch schema van de installatie voorhanden is. Vraag hier dus altijd om bij aflevering! Houd verder van alle installaties een kaart bij waarop alles wordt genoteerd, zoals olie verwisselen, vervanging van pakkingen, onderdelen, filter(s) enz.

12. Lawaaierige pompen en/of kleppen

Mogelijke oorzaken van lawaaierige pompen en/of kleppen:

A. Cavitatie als gevolg van een te hoog vacuüm. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door:

a) vernauwde of gesloten zuigleiding van de pomp als gevolg van een vervuilde filter;

b) een gesloten kraan, enz. en veroorzaakt cavitatie in de pomp;

c) wrijvingen in de zuigleiding als gevolg van:

1) de zuigleiding is te klein van doorlaat;

2) de olie heeft een te hoge viscositeit bij de betreffende bedrijfstemperatuur.

Mogelijke oplossingen:

a) Vervang of reinig het filter, reinig de zuigleiding en verwijder andere vernauwingen.

b) Open de gesloten kraan.

c) 1) Vergroot de doorlaat van de zuigleiding.

2) De olie moet verwisseld worden met een hogere viscositeit en/of verwarm de koude olie tot de juiste bedrijfstemperatuur.

B. Er bevindt zich lucht in de olie. Er kan lucht in het systeem komen door de volgende oorzaken:

a) luchtlekken in de verbindingen in de zuigleiding;

b) te laag olienivo in de tank;

c) de retourleidingen in het reservoir eindigen niet altijd onder het olienivo maar de olie wordt als het ware in de tank gespoten;

d) lekkende pakkingen in de drukleidingen naar de komponenten die soms onder vacuüm zijn hetgeen te wijten kan zijn aan hun plaatsing boven de olietank waardoor er in het hele systeem een lichte onderdruk ontstaat.

Mogelijke oplossingen:

a) De leidingen en hun verbindingen inspekteren en “aanhalen”.

b) De tank bijvullen.

c) Vergroot de lengte van de retourleidingen zodat ze onder het olienivo eindigen.

d) Kontroleer het systeem op luchtlekken. Soms zal het nodig zijn de olietank hoger dan alle andere komponenten in het systeem te plaatsen om zodoende in het gehele systeem iets overdruk te verkrijgen waardoor de zuigleidingen vollopen.

C. Mechanische storingen te wijten aan:

a) verkeerd uitlijnen van de pomp ten opzichte van de aandrijvende motor;

b) beschadigde as-koppeling of beschadigde as-koppelingbouten;

c)slechte/beschadigde pomp;

d) de pomp en/of de motor is niet zo geruisloos als noodzakelijk of de snelheid is niet juist;

e) vibrerende leidingen.

Mogelijke oplossingen:

a) Lijn de pomp en motor opnieuw uit.

b) Vervang beschadigde onderdelen.

c) Repareer of vervang de pomp.

d) Kies een pomp of motor welke voldoet aan de eisen of verander de snelheid

e) Zet de leidingen vast met beugels.